Kerkhistorie algemeen

 

                             Kerkhistorie algemeen

       Beschrijving en afbeeldingen van wetenswaardigheden

 
Afbeeldingen 

Oude Vrouwen- en Mannenhuis te Amsterdam

Afbeelding van: De Binnen Amstel met het Nederduits-Gereformeerd (later hervormd) Diaconie Oude Vrouwen- en Mannenhuis of in de volksmond 'Besjeshuis', Amstel 51.

De grond werd in 1681 beschikbaar gesteld door het stadsbestuur, de bouwkosten werden betaald uit een legaat van Barend Helleman, die overleed 18 october 1680, Die de Nederduits Gereformeerde Kerk tot zijn erfgenaam had gemaakt. In 1683 werd het werk voltooid. Het huis begon met alleen vrouwen, vandaar de naam Oude Vrouwenhuis, maar in de volksmond bleef het besjeshuis. De benaming was zo ingeburgerd, dat ook in de officiële stukken van besjeshuis gesproken werd. In 1718 kon er een uitbreiding aan de achterzijde worden gemaakt, die opname van mannen mogelijk maakte. Maar de naam besjeshuis bleef, misschien ook wel terecht, want de mannen werden gehuisvest beneden het niveau van de tuin, zeer vochtig. Er werd zelfs gesproken van mannenkelder.

Aardig is dat twee tantes van de sitebeheerder in dit huis nog voor 1936 hebben gewerkt en daar ook woonden en majoor Bosshart regelmatig bij hun over de vloer kwam.

Na een ingrijpende verbouwing in 1971 'Amstelhof' genaamd.

Oudemannenhuis (poort) te Amsterdam

Het oudemannenhuis was een tehuis waar mannen ouder dan zestig jaren hun laatste dagen konden slijten. Deze oude-mannenhuizen werden voor het eerst gebouwd in de 16e eeuw, daarvoor waren er hofjes voor de armere ouderen. De oudste hofjes dateren uit de 13e eeuw, in deze hofjes moesten de ouderen voor zichzelf zorgen. Omdat oudere mannen minder goed voor zichzelf zorgden dan vrouwen werden er oudemannenhuizen gebouwd. Net als de hofjes was het liefdadigheid en was het wonen kostenloos. In Amsterdam bestaat nog steeds de Oudemanhuispoort aan de Oudezijds Achterburgwal, en is feitelijk een steeg, met aan beide zijden een pport en daartussen ook nog een poortje. Het oudemannenhuis bevond zich aan de noordzijde van de steeg. Dit deel van het complex is in 1602 gebouwd in de boomgaard van het Oude nonnenklooster (Sint Mariënveldklooster). Het is in 1548 begonnen als een stichting in de Kalverstraat als Oudemannen- en vrouwengasthuis. Maar dat het niet voor de aller armste waren, blijkt uit de bepaling dat men o.a. een goed bed, ruim beddengoed, twee stoelen en gordijnen moest meebrengen. Door ruimte tekort wil men een nieuw tehuis bouwen en men organiseerd een loterij. Deze is zo succesvol, dat men in 1600 begint met de nieuwbouw waar nu de Oudemanhuispoort is. Het Binnengasthuis ligt ernaast, die het tehuis nog gebruikt heeft bij een epidemie van cholera. Vanaf 1877 is de Universiteit van Amsterdam erin gevestigd tot op heden.

Het Diakonie-weeshuis te Amsterdam

Het Diakonie-weeshuis dateert uit 1657. In het Burgerweeshuis in de Kalverstraat konden alleen de kinderen van lidmaten die poorters geweest waren, opgenomen worden, de andere werden door de diakonie in gezinnen uitbesteed. Een zeer onbevredigde situatie. De behandeling liet veel te wensen over. Reeds in 1634 werden de eerste besprekingen gevoerd tussen kerkenraad en diakonie, maar de kerkenraad voelde er niets voor, had duizend en een bezwaren en heeft het vele jaren opgehouden. Er was op meer punten een tegenstelling tussen beide colleges, zo ook bij het beroepingswerk. Men krijgt de indruk dat de diakonie heel wat flinker was dan de kerkenraad. De oorzaak was, dat de diakenen merendeels jonge zakenmensen waren en niet opzagen om risico's te nemen. De ouderlingen waren meer bedaagde heren die ergens gauw een zwaar hoofd in hadden. Maar in 1650 werd de situatie echter nijpend. De bevolking groeide en daarmee het aantal wezen. Door de eerste Engelse oorlog en de pest nam hun aantal schrikbarend toe. Een weeshuis werd bitter noodzakelijk. Alleen had de diakonie geen kapitaal. Inmiddels ging ook de kerkenraad overstag. Een commissie uit de kerkenraad begaf zich op 4 januari 1656 naar het stadhuis, en reeds twee dagen later, op 6 januari, beschikten de burgemeesters gunstig. Zij schonken een groot stuk grond aan de Binnen-Amstel en schonken fl. 7.000,- . Nu gingen alle beurzen open. In maart werd er in de hele stad een algemene collecte gehouden en in april kon de eerste steen worden gelegd. Eind 1657 konden de eerste 150 wezen al worden opgenomen. Later werden dat er 500. Het pleit en hulde voor de vasthoudenheid van de diakenen die werkelijk begaan waren met lot van de kinderen en hun zo een plek wilden geven.

 

 


Twee wezen te Amsterdam  

Twee wezen, op hun paasbest gekleed. Dit is de titelprent van
,,Het tweede eeuwfeest van het weeshuis der Nederduits Hervormde Diakonie" uitgegeven in 1858.

Het oorsponkelijk gebouw bestond uit twee afdelingen, een voor jongens en een voor meisjes, elk met een binnenplaats. Over het diakonie-weeshuis schrijft Jan Wagenaar: Een deftig gebouw, 136 voet breed en 166 voet lang en drie verdiepingen hoog. Een Amsterdamse voet is 0,2831 meter dus het gebouw was 39 meter breed en 50 meter lang. In 1888 is het afgebroken wegens bouwvalligheid en vervangen door een nieuw, dat echter slechts tot 1903 dienst heeft gedaan.De jongensafdeling had gelijkvloers een eetzaal, een werkinrichting voor oudere jongens die niet geschikt waren om buitenshuis een vak te leren, en de apotheek. De eerste verdieping bevatte boven de eetzaal de school voor de jongere jongens, slaapvertrekken voor hen en onderdak voor de begeleiders. Daar was ook het vertrek waarin ondeugende jongen werden opgesloten. Op de tweede verdieping waren de slaap zalen voor de grote jongens, die sliepen gedrieën in één kribbe, het voorrecht om apart te slapen was voorbehouden aan de jongens die langs de huizen collecteerden, en voor de ,,rijlopers" die bij de kerkgang er voor zorgden dat alle kinderen netjes in de rij liepen.

De indeling van de meisjesafdeling was dezelfde, alles was gewoon één op één overgenomen van de jongensafdeling met gang van zaken.

Doopboek van de Oude Kerk te Amsterdam

Bladzijde (zie afbeelding hiernaast) uit het doopboek van de Oude Kerk, waarschijnlijk het oudste doopboek wat bestaat. Deze bladzijde is van 1578. Men ziet boven de laatste door de pastoor ingeschreven dopelingen, onder de eerste van gereformeerde ouders. Dit doopboek is op 31 augustus 1578 in gebruik genomen. Men heeft geen nieuw boek aangeschaft, maar het aanwezige zonder meer overgenomen. Maar ook dat was pas in 1564 aangelegd. Daarvoor bestonden er namelijk geen doopboeken. Pas  na het concilie van Trente schreef ze voor, dat er een registratie moest komen. En het valt pastoor Buyck te prijzen dat hij er dadelijk -het concilie werd gesloten in 1563- gevolg aan heeft gegeven. Buyck is vermoedelijk de allereersten geweest die het deed. Johannes C. Breen (kinderzorg te Amsterdam vóór de 19e eeuw) zegt, dat het doopboek van de Oude Kerk het oudste en misschien wel van de hele wereld is.

De laatste doopinschrijving van de roomse kant luidt: ,, Pieter Claes, Wyburch Pieters, Neel Outwey, Reijnoud Bouwens." Dat waren dan blijkbaar de ouders en de twee getuigen. Maar waar is de naam van het kind (zie laatste regel bovenste gedeelte).  De mogelijkheid is te veronderstellen, dat de pastoor - de doop vond plaats op 26 mei 1578, de dag van de alteratie waarop de roomse magistraat en een aantal geestelijken werden uitgeleid- de naam vergeten heeft.

En dan volgt de eerste gereformeerde doopinschrijving:
,, Gielijs, Jan, Judick, Maritgen Buirrit, die vader smitgen." Zou het een vierling zijn geweest? Zou het niet zo zijn, dat vader Buirrit, of Burrit, smid van zijn vak, in ballingschap geen gelegenheid heeft gehad om zijn kinderen te dopen en dat hij daardoor nu de eerste doopvader kon zijn in de Oude Kerk.


De eerste protocollen van de kerkenraad 

Eerste bladzijde van de eerste protocollen van de kerkenraad, 24 mei 1578. De eerste bladzijde van de protocollen geeft het volgende bericht:
  ,, Inden jaer onses Heeren Jesu Christi 1578 de 24 mey na de wedercompste uut het ballynckscap ende God ons uut zijn sonderlynghe ghenade den opentlicken dyenst Gods heeft vergunt te ghebruucken buuten deses Stadts vrijheyt, hebben wij na christelicke oordenynghe een ghestalte der christelicke gemeente beginnen te stellen, verkyesende tot dyen eynde ouderlynghen ende diaconen, ende op dattet selfste bequamelick soude gheschyeden, hebben wij de broederen der gemeente doen versamelen ten huuse onses broeders Jan Muerlyng. En wat verder volgt. Opvallend is dat men vergaderd ten huize van Jan Muurling. Hij woonde aan de oneven zijde van de Oudezijds Voorburgwal, het gedeelte dat Fluweelenburgwal heet. Zij werd door gesettelde burgers bewoond en Muurling heeft dus een groot huis gehad, om zoveel mensen te bergen. Er worden tijdens deze vergadering de eerste twaalf ouderlingen en de eerste elf diakenen gekozen. Typisch gereformeerd is, dat men met de opbouw van de gemeente begonnen is met het institueren van de kerkenraad.

De namen van de twaalf ouderlingen zijn:  

Adriaan Cromhout, Henryck van Marken, Reynier van Neck, Reynier Cant, Henryck Olfertsz, Gerrit jansz Delft, Pyeter Jacobsz Vryes, Nyclaes Comelyn, Maeliaert de Cuuper, Pyeter Hasselaer, Stoffel Jansz Beernynck en Jan Jansz Kaerle.

De namen van de elf diakenen zijn:

Cornelis Floorisz, Cornelis Elbertsz, Jan Muerlyng, Thyman Meynertsz, Thuenis Jansz Schellyngwou, Egbert Roelleffs, Jan jansz Smit, Guyljame du Gardyn, Job Cornelisz, Jan Pyetersz Reael en Jan de Bisschop.

 


Domineesbriefje te Amsterdam

Burgemeester bepaalden hoe vaak er in elke kerk dienst was, waar en wanneer het Avondmaal werd gevierd en het aantal van de weekdiensten. Ook in welke kerken na de verkiezing van de magistraat over het politieke en na de verkiezing van de kerkenraad over het kerkelijk ambt moest worden gepreekt. Het eerste gebeurde in de Nieuwe Kerk, Oude Kerk, Amstel- en Westerkerk, het tweede in de Oude Kerk, Noorder- en Zuiderkerk en in de Nieuwezijds Kapel. Ook stelden zij een lijst van boetes op voor te lang preken. Wie op de door hen vastgestelde tijd de zegen nog niet had uitgesproken kreeg 5½ stuivers boete, wie met het dankgebed bezig was 1 gulden  en wie nog preekte 2 gulden.  

De predikanten verdeelden de door burgemeesters vastgestelde beurten onderling. Waar zij preekten konden de gemeenteleden lezen in het "domineesbriefje" zie exemplaar hiernaast. Dit domineesbriefje is van 7 juli 1765. Wat opvalt is het aantal proponenten wat preekten, wat in 1778 leiden tot een klacht. Ook dat er in de Oude Kerk viermaal gepreekt wordt. Dan, dat er op alle werkdagen in één kerk gepreekt werd behalve op maandags en dat er op zaterdagmiddag tot voorbereiding van het Avondmaal zelfs zes diensten waren.

Aan het domineesbriefje is nog een curieus verhaal verbonden. Het zou namelijk gebruikt zijn om te zien of een pasgeboren kind de vereiste lengte had. Dit zou dan weer teruggaan op een rooms gebruik. Daar werd voor hetzelfde doel een strook papier gebruikt met litanieën en gebeden, ,, de heilige lengte van Christus" genoemd. 

 

 

 

Overzicht overledenen aan de pest te Amsterdam

De geschiedschrijver Jan Wagenaar geeft er een uitvoerig verslag van. Een oorlogsschip uit Algiers had de ziekte naar Amsterdam overgebracht, want de eerste slachtoffers vielen op Kattenburg, waar de bemanning van dat schip woonde. Al in 1663 waren er volgens hem 9000 doden. Vermoedelijk ligt dit aantal dicht bij de waarheid. Hij vermeldt dat alle vreemde schepen Amsterdam gingen mijden, waardoor handel en bedrijf praktisch stilstonden en er grote armoede ontstond. Vele rijken ontvluchtten de stad. Maar in 1664 werd het nog erger. Het aantal doden liep op tot bijna duizend per week. Allerlei keuren (verordeningen) werden uitgevaardigd, zo tegen het venten met oude kleren en vodden en het verkopen van blauwe pruimen, krieken en komkommers. Het hielp bitter weinig, want de besmetting zat natuurlijk elders. De ratten waren de oorzaak en de armen die in hun kelders het dichtst bij de ratten woonden, hadden er het meest onder te lijden. Van enige doelmatige hygiëne was geen sprake, ondanks de benoeming van extra ,,Pest-Doktoren, Chirurgijns en Apothekers". Men hield nauwkeurig het aantal personen bij die aan de pest overleden waren. Hiernaast ziet u een overzicht van de 32e week van het jaar 1664, van 3 tot 10 augustus 1664.